Netwerkinstallatie

In dit hoofdstuk wordt stap voor stap uitgelegd hoe u het apparaat instelt dat via het netwerk aangesloten is en hoe u de software instelt.

Netwerkomgeving

U moet de netwerkprotocollen installeren op het apparaat om het als netwerkprinter te kunnen gebruiken. U kunt de basisnetwerkinstellingen opgeven via het bedieningspaneel van het apparaat.

De volgende tabel toont de netwerkomgevingen die het apparaat ondersteunt:

Item

Vereisten

Netwerkinterface

  • Ethernet 10/100 Base-TX

  • 802.11 b/g/n wireless LAN

Netwerkbesturingssysteem

  • Windows 2000/XP/Server 2003/Server 2008/Vista/7/2008 Server R2

  • Diverse Linux-besturingssystemen

  • Mac OS X 10.3-10.6

Netwerkprotocollen

  • TCP/IPv4

  • DHCP, BOOTP

  • DNS, WINS, Bonjour, SLP, UPnP

  • Standard TCP/IP-afdrukken (RAW), LPR, IPP

  • SNMPv 1/2/3, HTTP, IPSec

  • TCP/IPv6 (DHCP, DNS, RAW, LPR, SNMPv 1/2/3, HTTP, IPSec)

    (Zie IPv6-configuratie.)

Introductie van handige netwerkprogramma’s

Er zijn verschillende programma’s voorhanden om de netwerkinstellingen op een eenvoudige manier op te geven in een netwerkomgeving. Vooral voor de netwerkbeheerder is het mogelijk om meerdere apparaten op het netwerk te beheren.

[Note]

Stel het IP-adres in voor u de onderstaande programma’s in gebruik neemt.

SyncThru™ Web Service

Een in de netwerkafdrukserver ingebouwde webserver laat u toe om:

  • netwerkparameters voor het apparaat te configureren zodat u een verbinding kunt maken met diverse netwerkomgevingen;

  • apparaatinstellingen aanpassen.

    (Zie SyncThru™ Web Service gebruiken.)

SyncThru™ Web Admin Service

Een webgebaseerd apparaatbeheersysteem voor netwerkbeheerders. Met SyncThru™ Web Admin Service kunt u netwerkapparatuur op een efficiënte manier beheren en op afstand controleren. U kunt bovendien problemen oplossen vanaf iedere plek waar u via het internet toegang hebt tot het bedrijfsnetwerk. U kunt dit programma downloaden van http://solution.samsungprinter.com.

SetIP

Hulpprogramma waarmee u een netwerkinterface kunt selecteren en handmatig IP-adressen kunt configureren voor gebruik met het TCP/IP-protocol (zie IPv4 instellen met het programma SetIP (Windows) of IPv4 instellen via het programma SetIP (Macintosh)).

[Note]

TCP/IPv6 wordt niet door dit programma ondersteund.

Een bedraad netwerk gebruiken

U moet de netwerkprotocollen op uw apparaat instellen om het apparaat in uw netwerk te kunnen gebruiken. In dit hoofdstuk leest u hoe u dit op een eenvoudige manier kunt doen.

U kunt het netwerk gebruiken nadat u een netwerkkabel hebt aangesloten op de overeenkomstige poort op uw computer.

Een netwerkconfiguratierapport afdrukken

U kunt een netwerkconfiguratierapport afdrukken vanaf het bedieningspaneel van het apparaat. In dit rapport worden de huidige netwerkinstellingen van het apparaat weergegeven. Hiermee kunt u een netwerk instellen en problemen oplossen.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerkinform. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op pijl-links/rechts tot Ja verschijnt en druk op OK.

In dit netwerkconfiguratierapport vindt u het MAC-adres en het IP-adres van uw apparaat.

Bijvoorbeeld:

  • MAC-adres: 00:15:99:41:A2:78

  • IP-adres: 192.0.0.192

Het IP-adres instellen

Eerst moet u een IP-adres instellen voor het beheren van en afdrukken over het netwerk. In de meeste gevallen wordt een IP-adres automatisch toegewezen door een DHCP-server (Dynamic Host Configuration Protocol Server) die zich in het netwerk bevindt.

In een aantal gevallen moet u het IP-adres handmatig instellen. Dit wordt een statisch IP genoemd, dat om veiligheidsredenen vaak vereist is in bedrijfsnetwerken.

  • Toewijzing van een IP-adres via DHCP: verbind uw apparaat met het netwerk en wacht enkele minuten tot de DHCP-server een IP-adres aan het apparaat heeft toegewezen. Druk vervolgens het netwerkconfiguratierapport af zoals hierboven is uitgelegd. Als uit het rapport blijkt dat het IP-adres gewijzigd is, is de toewijzing gelukt. Het nieuwe IP-adres wordt in het rapport weergegeven.

  • Toewijzing van statisch IP-adres: met het programma SetIP kunt u het IP-adres van uw computer wijzigen. Als uw apparaat uitgerust is met een bedieningspaneel, kunt u het IP-adres ook wijzigen via het bedieningspaneel van het apparaat.

In een kantooromgeving raden we u aan om contact op te nemen met een netwerkbeheerder die dit adres voor u kan instellen.

IPv4-adres instellen via het bedieningspaneel

  1. Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.

  2. Zet het apparaat aan.

  3. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  4. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op pijl-links/rechts tot TCP/IP (IPv4) verschijnt en druk op OK.

  6. Druk op pijl-links/rechts tot Statisch verschijnt en druk op OK.

  7. Druk op pijl-links/rechts tot IP-adres verschijnt en druk vervolgens op OK.

  8. Voer het IP-adres in via het numeriek toetsenblok en druk op OK.

    [Note]

    Voer een byte in tussen 0 en 255 met behulp van de cijfertoetsen en druk op de pijl-links/rechts om tussen de bytes te schakelen.

    Herhaal dit tot u het adres volledig hebt ingevuld (van byte 1 tot en met byte 4).

  9. Voer andere parameters in, zoals het Subnetmasker en de Gateway, en druk op OK.

  10. Na het invoeren van alle parameters drukt u op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Ga nu naar Het stuurprogramma voor het verbinden met een bedraad netwerk installeren.

IPv4 instellen met het programma SetIP (Windows)

Met dit programma kunt u het IP-adres van uw apparaat handmatig instellen met behulp van het MAC-adres om te communiceren met het apparaat. Het MAC-adres is een hardwareserienummer van de netwerkinterface dat u in het netwerkconfiguratierapport terugvindt.

Om het programma SetIP te gebruiken, schakelt u de firewall op de computer uit voor u doorgaat met het volgende:

  1. Open het Configuratiescherm.

  2. Dubbelklik op Beveiligingscentrum.

  3. Klik op Windows Firewall.

  4. Schakel de firewall uit.

Het programma installeren
  1. Plaats de cd-rom met printersoftware die met uw apparaat werd meegeleverd in het cd-romstation. Als de cd met stuurprogramma’s automatisch wordt uitgevoerd, sluit u het venster.

  2. Start Windows Explorer en open station X ("X" staat voor de letter die aan uw cd-station is toegewezen).

  3. Dubbelklik op Application > SetIP.

  4. Dubbelklik op Setup.exe om het programma te installeren.

  5. Kies een taal en klik op Next.

  6. Volg de aanwijzingen op het scherm om de installatie te voltooien.

Het programma starten
  1. Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.

  2. Zet het apparaat aan.

  3. Kies in het menu Start van Windows achtereenvolgens Alle programma’s > Samsung Printers > SetIP > SetIP.

  4. Klik op het pictogram (derde van links) in het venster SetIP om het configuratievenster met TCP/IP-instellingen te openen.

  5. Voer de nieuwe apparaatgegevens op de volgende manier in het configuratievenster in. In een bedrijfsintranet moeten deze gegevens u mogelijk worden toegewezen door een netwerkbeheerder voor u verder kunt gaan.

    • Mac Address: zoek het MAC-adres in het netwerkconfiguratierapport en voer het hier in (zonder dubbele punten). Voorbeeld: 00:15:99:29:51:A8 wordt dus 0015992951A8.

    • IP Address: voer hier een nieuw IP-adres voor uw printer in.

      Als het IP-adres van uw computer bijvoorbeeld 192.168.1.150 is, voert u 192.168.1.X in, waarbij X een nummer tussen 1 en 254 is (uitgezonderd het nummer 150 dat voor de computer wordt gebruikt).

    • Subnet Mask: voer hier een subnetmasker in.

    • Default Gateway: voer hier een standaardgateway in.

  6. Klik op Apply en vervolgens op OK. Het apparaat zal het netwerkconfiguratierapport automatisch afdrukken. Controleer of alle instellingen juist zijn.

  7. Klik op Exit om het programma SetIP af te sluiten.

  8. Indien nodig schakelt u opnieuw de firewall van de computer in.

IPv4 instellen via het programma SetIP (Macintosh)

Om het programma SetIP te gebruiken, schakelt u de firewall op de computer uit voor u doorgaat met het volgende:

[Note]

Het pad en de gebruikersinterface kunnen verschillen afhankelijk van de Mac OS-versie. Raadpleeg de handleiding van Mac OS om de firewall uit te schakelen.

  1. Open Systeemvoorkeuren.

  2. Klik op Beveiliging.

  3. Klik op het menu Firewall.

  4. Schakel de firewall uit.

[Note]

Mogelijk wijken de volgende instructies af van die voor uw printermodel.

  1. Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.

  2. Plaats de installatie-cd en open het schijfvenster. Selecteer vervolgens MAC_Installer > MAC_Printer > SetIP > SetIPapplet.html.

  3. Dubbelklik op het bestand. Safari wordt automatisch geopend. Selecteer vervolgens Vertrouw. De browser zal de pagina SetIPApplet.html met de naam en het IP-adres van de printer openen.

  4. Klik op het pictogram (derde van links) in het venster SetIP om het configuratievenster met TCP/IP-instellingen te openen.

  5. Voer de nieuwe apparaatgegevens op de volgende manier in het configuratievenster in. In een bedrijfsintranet moeten deze gegevens u mogelijk worden toegewezen door een netwerkbeheerder voor u verder kunt gaan.

    • Mac Address: zoek het MAC-adres in het netwerkconfiguratierapport en voer het hier in (zonder dubbele punten). Voorbeeld: 00:15:99:29:51:A8 wordt dus 0015992951A8.

    • IP Address: voer hier een nieuw IP-adres voor uw printer in.

      Als het IP-adres van uw computer bijvoorbeeld 192.168.1.150 is, voert u 192.168.1.X in, waarbij X een nummer tussen 1 en 254 is (uitgezonderd het nummer 150 dat voor de computer wordt gebruikt).

    • Subnet Mask: voer hier een subnetmasker in.

    • Default Gateway: voer hier een standaardgateway in.

  6. Selecteer Apply, OK en opnieuw OK. De printer zal het configuratierapport automatisch afdrukken. Controleer of alle instellingen juist zijn. Sluit Safari af. U mag de cd-rom met installatiebestanden uit het cd-romstation halen. Indien nodig schakelt u opnieuw de firewall van de computer in. Het IP-adres, het subnetmasker en de gateway zijn nu gewijzigd.

IPv4 instellen via het programma SetIP (Linux)

Het programma SetIP zou tijdens de installatie van het printerstuurprogramma automatisch geïnstalleerd moeten worden.

[Note]

Het pad en de gebruikersinterface kunnen verschillen afhankelijk van de Linux OS-versie. Raadpleeg de handleiding van Linux OS om de firewall uit te schakelen.

  1. Druk het configuratierapport van het apparaat af om het MAC-adres van uw apparaat te vinden.

  2. Open /opt/Samsung/mfp/share/utils/.

  3. Dubbelklik op het bestand SetIPApplet.html.

  4. Klik hier om het venster met TCP/IP-instellingen te openen.

  5. Voer het MAC-adres, IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway van de netwerkkaart in, en klik vervolgens op Apply.

    [Note]

    Laat bij het invoeren van het MAC-adres de dubbele punt (:) weg.

  6. Het apparaat drukt de netwerkgegevens af. Controleer of alle instellingen juist zijn.

  7. Sluit het programma SetIP af.

Netwerkparameters instellen

U kunt eveneens verschillende netwerkinstellingen opgeven met behulp van netwerkbeheerprogramma’s zoals SyncThru™ Web Admin Service en SyncThru™ Web Service.

Standaardinstellingen terugzetten

Mogelijk moet u de standaardfabrieksinstellingen terugzetten als het apparaat dat u gebruikt met een nieuwe netwerkomgeving wordt verbonden.

De standaardfabrieksinstellingen terugzetten via het bedieningspaneel

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op pijl-links/rechts tot Instel. wissen verschijnt en druk op OK.

  4. Schakel het apparaat uit en weer in om de instellingen toe te passen.

Standaardfabrieksinstellingen terugzetten met SyncThru™ Web Service

  1. Start een webbrowser zoals Internet Explorer, Safari of Firefox, en voer in het browservenster het nieuwe IP-adres van uw apparaat in.

    Bijvoorbeeld,

  2. Als het venster van de SyncThru™ Web Service wordt geopend, klikt u op Network Settings.

  3. Klik op Reset. Klik vervolgens op Clear voor netwerk.

  4. Schakel het apparaat uit en weer in om de instellingen toe te passen.

Het stuurprogramma voor het verbinden met een bedraad netwerk installeren

Windows

U kunt het apparaatstuurprogramma instellen. Volg daarbij de onderstaande stappen.

Deze installatie is aanbevolen voor de meeste gebruikers. Alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor apparaatbewerkingen worden geïnstalleerd.

  1. Zorg ervoor dat het apparaat met het netwerk of via een USB-aansluiting is verbonden en aan staat.

  2. Plaats de meegeleverde software-cd in het cd-romstation.

    • De software-cd start automatisch en er verschijnt een installatievenster.

    • Als het installatievenster niet verschijnt, klikt u op Start en vervolgens op Uitvoeren... Typ X:\Setup.exe, waarbij u "X" vervangt door de letter van het station waarin u de cd hebt geplaatst. Klik op OK.

    • Als u Windows Vista, Windows 7 of Windows 2008 Server R2 gebruikt, klikt u op Start > Alle programma’s > Bureau-accessoires > Uitvoeren...

      Typ X:\Setup.exe, waarbij u "X" vervangt door de letter van het cd-romstation, en klik op OK.

    • Als het venster Automatisch afspelen verschijnt in Windows Vista, klikt u op Uitvoeren... Setup.exe in het veld Programma installeren of uitvoeren en vervolgens op Doorgaan in het venster Gebruikersaccountbeheer.

    • Als in Windows 7 of Windows 2008 Server R2 het venster Automatisch afspelen verschijnt, klikt u op Uitvoeren... Setup.exe in het veld Programma installeren of uitvoeren en vervolgens op Ja in het venster Gebruikersaccountbeheer.

  3. Klik op Nu installeren.

    Selecteer uw taal uit de vervolgkeuzelijst.

    [Note]
    • Met Draadloze verbindingen instellen en installeren kunt u een draadloos netwerk installeren om via een USB-kabel een verbinding te maken met het apparaat. (zie Een draadloos netwerk instellen met een USB-kabel).

    • Geavanceerde installatie heeft twee opties: Aangepaste installatie en Alleen software installeren. Aangepaste installatie laat u toe om de verbinding van het apparaat te selecteren en de individuele componenten te kiezen die u wilt installeren. Kiest u Alleen software installeren, kunt u de bijgeleverde software (bijv. Smart Panel) installeren. Volg de richtlijnen op het scherm.

  4. Lees de Gebruiksrechtovereenkomst en schakel het selectievakje Ik aanvaard de bepalingen van de gebruiksrechtovereenkomst. in. Klik vervolgens op Volgende.

    Het programma zoekt het apparaat.

    [Note]

    Als het apparaat niet in het netwerk of lokaal wordt gevonden, verschijnt een foutbericht.

    • Schakel deze optie in als u de software wilt installeren zonder de printer aan te sluiten.

      • Schakel dit selectievakje in om dit programma te installeren zonder dat een apparaat is aangesloten. In dit geval wordt het venster voor het afdrukken van een testpagina overgeslagen en wordt de installatie voltooid.

    • Opnieuw zoeken

      Wanneer u op deze knop klikt, verschijnt een venster met een firewall-waarschuwing.

      • Schakel de firewall uit en klik op Opnieuw zoeken. Klik in Windows op Start > Configuratiescherm > Windows Firewall en schakel deze optie uit.

        • Schakel naast de firewall van het besturingssysteem ook die van andere programma's uit. Raadpleeg de handleiding van de desbetreffende programma’s.

    • Directe invoer

      Als u op Directe invoer klikt, kunt u een specifiek apparaat in het netwerk zoeken.

      • Zoeken op IP-adres: Voer het IP-adres of de hostnaam in. Klik vervolgens op Volgende.

        Druk een netwerkconfiguratierapport af om het IP-adres van uw apparaat te controleren (zie Een netwerkconfiguratierapport afdrukken).

      • Zoeken op netwerkpad: Om een gedeeld apparaat (UNC-pad) te vinden, voert u de gedeelde naam handmatig in of klikt u op Bladeren om een gedeelde printer te zoeken. Klik vervolgens op Volgende.

    • Help

      Als uw apparaat niet op de computer of het netwerk is aangesloten, kunt u met deze Help-knop gedetailleerde informatie over de aansluiting van het apparaat weergeven.

    • IP-adres instellen

      Als u een specifiek IP-adres op een specifieke netwerkprinter wilt instellen, klikt u op IP-adres instellen. Het venster IP-adres instellen verschijnt. Ga als volgt te werk:

      1. Selecteer in de lijst een apparaat waarvoor u een specifiek IP-adres wilt instellen.

      2. Configureer handmatig een IP-adres, subnetmasker en gateway voor het apparaat en klik op Toepassen om het specifieke IP-adres voor het netwerkapparaat in te stellen.

      3. Klik op Volgende.

  5. Het gevonden apparaat wordt op het scherm weergegeven. Selecteer het apparaat dat u wilt gebruiken.

    [Note]

    Als het stuurprogramma slechts één printer gevonden heeft, verschijnt het bevestigingsvenster.

    Het programma start de installatie.

  6. Zodra de installatie is voltooid, verschijnt er een venster met de vraag of u een testpagina wilt afdrukken. Als u een testpagina wilt afdrukken, klikt u op Een testpagina afdrukken.

    In het andere geval klikt u gewoon op Volgende en gaat u naar stap 8.

  7. Als de testpagina juist wordt afgedrukt, klikt u op Ja.

    Zo niet, klikt u op Nee om ze opnieuw af te drukken.

  8. Als u zich wilt registreren als gebruiker van het apparaat om informatie te ontvangen van Samsung, klikt u op Online registratie.

  9. Klik op Voltooien.

[Note]

Macintosh

  1. Zorg ervoor dat het apparaat met uw netwerk is verbonden en aan staat. Het IP-adres van uw apparaat moet ook reeds zijn ingesteld.

  2. Plaats de meegeleverde software-cd in het cd-romstation.

  3. Dubbelklik op het cd-rompictogram op het bureaublad van uw Macintosh-computer.

  4. Dubbelklik op de map MAC_Installer.

  5. Dubbelklik op het pictogram Installer OS X.

  6. Voer het wachtwoord in en klik op OK.

  7. Het venster van het installatieprogramma van Samsung wordt geopend. Klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  8. Lees de gebruiksrechtovereenkomst en klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  9. Klik op Akkoord als u de gebruiksrechtovereenkomst aanvaardt.

  10. Selecteer Standaardinstallatie (tot Mac OS X 10.3: Eenvoudige installatie) en klik op Installeer. Standaardinstallatie (tot Mac OS X 10.3: Eenvoudige installatie) wordt aanbevolen voor de meeste gebruikers. Alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor apparaatbewerkingen worden geïnstalleerd.

    Als u Maak installatie ongedaan (tot Mac OS X 10.3: Aangepaste installatie) selecteert, kunt u aangeven welke afzonderlijke onderdelen u wilt installeren.

  11. Het bericht met de waarschuwing dat alle toepassingen worden afgesloten wordt op de computer weergegeven. Klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  12. Selecteer het type installatie en klik op OK.

    • Typische installatie voor een lokale printerInstalleert standaardonderdelen voor een apparaat dat rechtstreeks op de computer van de gebruiker is aangesloten.

    • Typische installatie voor een netwerkprinterInstalleert software voor een apparaat op het netwerk. Het programma SetIP wordt automatisch uitgevoerd. Als de netwerkinformatie voor het apparaat al geconfigureerd is, sluit u het programma SetIP af. Ga door met de volgende stap.

    • Draadloze verbindingen instellen en installeren Met Draadloze verbindingen instellen en installeren kunt u een draadloos netwerk installeren om via een USB-kabel een verbinding te maken met het apparaat (zie Een draadloos netwerk instellen met een USB-kabel).

  13. Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien. Nadat de installatie is voltooid, klikt u op Sluit af (tot Mac OS X 10.3: Afsluiten) of Start opnieuw (tot Mac OS X 10.3: Herstart…).

  14. Open de map Programma’s > Hulpprogramma’s > Printerconfiguratie.

    • Voor Mac OS X 10.5-10.6 opent u de map Programma’s > Systeemvoorkeuren en klikt u op Afdrukken en faxen.

  15. Klik op Voeg toe in de Printerlijst.

    • Voor Mac OS X 10.5-10.6 klikt u op het pictogram +, waarna een weergavevenster verschijnt.

  16. Voor Mac OS X 10.3 selecteert u het tabblad Afdrukken via IP.

    • Voor Mac OS X 10.4 klikt u op IP-printer.

    • Voor Mac OS X 10.5-10.6 klikt u op IP.

  17. Selecteer Socket/HP Jet Direct in Printertype.

    Bij het afdrukken van een document van een groot aantal pagina’s kan de afdrukcapaciteit worden verhoogd door Socket te kiezen voor de optie Printertype.

  18. Typ het IP-adres van het apparaat in het vak Printeradres.

  19. Typ de wachtrijnaam in het vak Naam wachtrij. Als u de wachtrijnaam voor uw apparaatserver niet kunt bepalen, probeert u eerst de standaardwachtrij.

  20. Als automatisch selecteren voor Mac OS X 10.3 niet goed werkt, selecteert u Samsung in Printermodel en de naam van uw apparaat in Modelnaam.

    • Als automatisch selecteren voor Mac OS X 10.4 niet goed werkt, selecteert u Samsung in Druk af via en de naam van uw apparaat in Model.

    • Voor Mac OS X 10.5-10.6: als Automatisch selecteren niet goed werkt, kiest u Selecteer besturingsbestand... en de naam van uw apparaat in Druk af via.

    Het IP-adres van uw printer verschijnt in Printerlijst en wordt ingesteld als standaardprinter.

  21. Klik op Voeg toe.

[Note]

Als de printer niet correct werkt, maakt u de installatie van het stuurprogramma ongedaan en installeert u het opnieuw.

Doe het volgende om de installatie van het stuurprogramma voor Macintosh ongedaan te maken.

  1. Zorg ervoor dat het apparaat op uw computer is aangesloten en ingeschakeld is.

  2. Plaats de meegeleverde software-cd in het cd-romstation.

  3. Dubbelklik op het cd-rompictogram op het bureaublad van uw Macintosh-computer.

  4. Dubbelklik op de map MAC_Installer.

  5. Dubbelklik op het pictogram Installer OS X.

  6. Voer het wachtwoord in en klik op OK.

  7. Het venster van het installatieprogramma van Samsung wordt geopend. Klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  8. Lees de gebruiksrechtovereenkomst en klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  9. Klik op Akkoord als u de gebruiksrechtovereenkomst aanvaardt.

  10. Selecteer Installatie ongedaan maken => Maak installatie ongedaan (10.4) en klik op Installatie ongedaan maken => Maak installatie ongedaan (10.4).

  11. Op het computerscherm verschijnt een waarschuwing dat alle toepassingen worden afgesloten. Klik op Ga door (tot Mac OS X 10.3: Volgende).

  12. Nadat de installatie ongedaan is gemaakt, klikt u op Sluit af (tot Mac OS X 10.3: Afsluiten).

Linux

U moet Linux-softwarepakketten downloaden van de website van Samsung om de printersoftware te installeren.

[Note]

Om andere software te installeren:

Het Unified Linux Driver installeren

  1. Zorg ervoor dat het apparaat met uw netwerk is verbonden en aan staat. Het IP-adres van uw apparaat moet ook reeds zijn ingesteld.

  2. Download het Unified Linux Driver-pakket van de website van Samsung.

  3. Klik met de rechtermuisknop op het Unified Linux Driver-pakket en decomprimeer het.

  4. Dubbelklik op cdroot > autorun.

  5. Het venster van het installatieprogramma van Samsung wordt geopend. Klik op Continue.

  6. Het venster van de Add printer wizard gaat open. Klik op Next.

  7. Selecteer Netwerkprinter en klik op de knop Search.

  8. Het IP-adres en de modelnaam van de printer worden in de lijst weergegeven.

  9. Selecteer uw apparaat en klik op Next.

  10. Voer de beschrijving van de printer in en klik op Next.

  11. Wanneer de printer is toegevoegd, klikt u op Finish.

  12. Nadat de installatie is voltooid, klikt u op Finish.

Een netwerkprinter toevoegen

  1. Dubbelklik op Unified Driver Configurator.

  2. Klik op Add Printer…

  3. Het venster Add printer wizard wordt geopend. Klik op Next.

  4. Selecteer Network printer en klik op de knop Search.

  5. Het IP-adres en de modelnaam van de printer worden in de lijst weergegeven.

  6. Selecteer uw apparaat en klik op Next.

  7. Voer de printerbeschrijving in en klik op Next.

  8. Wanneer de printer is toegevoegd, klikt u op Finish.

IPv6-configuratie

[Caution]

TCP/IPv6 wordt alleen juist ondersteund in Windows Vista of hogere versies.

[Note]

Als het IPv6-netwerk niet lijkt te werken, stelt u alle netwerkinstellingen in op de standaardwaarden en probeert u het opnieuw (zie Standaardinstellingen terugzetten).

Om de IPv6-netwerkomgeving te gebruiken, volgt u de onderstaande procedure om het IPv6-adres te gebruiken:

  1. Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.

  2. Zet het apparaat aan.

  3. Druk een netwerkconfiguratierapport af vanaf het bedieningspaneel van het apparaat. In dit rapport worden de IPv6-adressen gecontroleerd.

    [Note]
    1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

    2. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

    3. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerkinform. verschijnt en druk op OK.

    4. Druk op pijl-links/rechts tot Ja verschijnt en druk op OK.

  4. Klik op Start > Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Printers > Printer toevoegen.

  5. Kies Een lokale printer toevoegen in het venster Printer toevoegen.

  6. Volg de aanwijzingen op het scherm.

[Note]

Als het apparaat niet werkt in de netwerkomgeving, activeert u IPv6. Raadpleeg het volgende deel voor meer informatie.

IPv6 activeren

Bij levering van het apparaat is de IPv6-functie ingeschakeld.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op pijl-links/rechts tot TCP/IP (IPv6) verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op pijl-links/rechts tot IPv6 activeren verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op pijl-links/rechts tot Aan verschijnt en druk op OK.

  6. Zet het apparaat uit en weer aan.

  7. Installeer het printerstuurprogramma opnieuw.

IPv6-adressen instellen

Het apparaat ondersteunt de volgende IPv6-adressen voor het afdrukken vanaf het netwerk en voor netwerkbeheer.

  • Link-local Address: zelfgeconfigureerde lokale IPv6-adressen (adres begint met FE80).

  • Stateless Address: door een netwerkrouter automatisch geconfigureerd IPv6-adres.

  • Stateful Address: door een DHCPv6-server geconfigureerd IPv6-adres.

  • Manual Address: door de gebruiker handmatig geconfigureerd IPv6-adres.

DHCPv6-adresconfiguratie (Stateful)

Als uw netwerk gebruikmaakt van een DHCPv6-server kunt u een van de volgende opties instellen voor standaard dynamische host-configuratie:

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op pijl-links/rechts tot Netwerk verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op pijl-links/rechts tot TCP/IP (IPv6) verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op pijl-links/rechts tot DHCPv6 config verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste waarde te zoeken.

    • Router: gebruik DHCPv6 alleen als een router erom vraagt.

    • DHCPv6 Addr: gebruik altijd DHCPv6 ongeacht of de router erom vraagt.

    • DHCPv6 uit: gebruik DHCPv6 nooit ongeacht of de router erom vraagt.

  6. Druk op OK.

Manual address-configuratie

  1. Start een webbrowser zoals Internet Explorer die IPv6-adressering als een URL ondersteunt (zie Een verbinding maken met SyncThru™ Web Service).

    [Note]

    Voor IPv4 voert u het IPv4-adres (http://xxx.xxx.xxx.xxx) in het adresveld in en drukt u op de Enter-toets of klikt u op Ga naar.

  2. Als het venster van de SyncThru™ Web Service wordt geopend, klikt u op Network Settings.

  3. Klik op TCP/IP.

  4. Schakel Manual Address in de sectie TCP/IPv6 in.

  5. Selecteer het Router Prefix en klik op de knop Add. Het routerprefix zal automatisch ingevoerd worden in het adresveld.

    Voer de rest van het adres in (bijv. 3FFE:10:88:194::AAAA. "A" is de hexadecimaal 0 tot 9, A tot F).

  6. Klik op de knop Apply.

Een verbinding maken met SyncThru™ Web Service

  1. Start een webbrowser zoals Internet Explorer die IPv6-adressering als URL ondersteunt.

  2. Selecteer een van de IPv6-adressen (Link-local Address, Stateless Address, Stateful Address, Manual Address) uit het netwerkconfiguratierapport.

  3. Voer de IPv6-adressen in (bijv. http://[FE80::215:99FF:FE66:7701]).

    [Caution]

    De adressen moeten tussen "[]" (vierkante haken) worden geplaatst.