In dit hoofdstuk wordt stap voor stap uitgelegd hoe u het apparaat instelt dat via het netwerk aangesloten is en hoe u de software instelt.
In dit hoofdstuk vindt u de volgende onderwerpen:
U moet de netwerkprotocollen installeren op het apparaat om het als netwerkprinter te kunnen gebruiken. U kunt de basisnetwerkinstellingen opgeven via het bedieningspaneel van het apparaat.
De volgende tabel toont de netwerkomgevingen die het apparaat ondersteunt:
|
Item |
Vereisten |
|---|---|
|
Netwerkinterface |
|
|
Netwerkbesturingssysteem |
|
|
Netwerkprotocollen |
|
Er zijn verschillende programma’s voorhanden om de netwerkinstellingen op een eenvoudige manier op te geven in een netwerkomgeving. Vooral voor de netwerkbeheerder is het mogelijk om meerdere apparaten op het netwerk te beheren.
|
|
|
Stel het IP-adres in voor u de onderstaande programma’s in gebruik neemt. |
Een in de netwerkafdrukserver ingebouwde webserver laat u toe om:
netwerkparameters voor het apparaat te configureren zodat u een verbinding kunt maken met diverse netwerkomgevingen;
apparaatinstellingen aanpassen.
Een webgebaseerd apparaatbeheersysteem voor netwerkbeheerders. Met SyncThru™ Web Admin Service kunt u netwerkapparatuur op een efficiënte manier beheren en op afstand controleren. U kunt bovendien problemen oplossen vanaf iedere plek waar u via het internet toegang hebt tot het bedrijfsnetwerk. U kunt dit programma downloaden van http://solution.samsungprinter.com.
Hulpprogramma waarmee u een netwerkinterface kunt selecteren en handmatig IP-adressen kunt configureren voor gebruik met het TCP/IP-protocol (zie IPv4 instellen met het programma SetIP (Windows) of IPv4 instellen via het programma SetIP (Macintosh)).
|
|
|
TCP/IPv6 wordt niet door dit programma ondersteund. |
U moet de netwerkprotocollen op uw apparaat instellen om het apparaat in uw netwerk te kunnen gebruiken. In dit hoofdstuk leest u hoe u dit op een eenvoudige manier kunt doen.
U kunt het netwerk gebruiken nadat u een netwerkkabel hebt aangesloten op de overeenkomstige poort op uw computer.
U kunt een netwerkconfiguratierapport afdrukken vanaf het bedieningspaneel van het apparaat. In dit rapport worden de huidige netwerkinstellingen van het apparaat weergegeven. Hiermee kunt u een netwerk instellen en problemen oplossen.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
In dit netwerkconfiguratierapport vindt u het MAC-adres en het IP-adres van uw apparaat.
Bijvoorbeeld:
MAC-adres: 00:15:99:41:A2:78
IP-adres: 192.0.0.192
Eerst moet u een IP-adres instellen voor het beheren van en afdrukken over het netwerk. In de meeste gevallen wordt een IP-adres automatisch toegewezen door een DHCP-server (Dynamic Host Configuration Protocol Server) die zich in het netwerk bevindt.
In een aantal gevallen moet u het IP-adres handmatig instellen. Dit wordt een statisch IP genoemd, dat om veiligheidsredenen vaak vereist is in bedrijfsnetwerken.
Toewijzing van een IP-adres via DHCP: verbind uw apparaat met het netwerk en wacht enkele minuten tot de DHCP-server een IP-adres aan het apparaat heeft toegewezen. Druk vervolgens het netwerkconfiguratierapport af zoals hierboven is uitgelegd. Als uit het rapport blijkt dat het IP-adres gewijzigd is, is de toewijzing gelukt. Het nieuwe IP-adres wordt in het rapport weergegeven.
Toewijzing van statisch IP-adres: met het programma SetIP kunt u het IP-adres van uw computer wijzigen. Als uw apparaat uitgerust is met een bedieningspaneel, kunt u het IP-adres ook wijzigen via het bedieningspaneel van het apparaat.
In een kantooromgeving raden we u aan om contact op te nemen met een netwerkbeheerder die dit adres voor u kan instellen.
Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.
Zet het apparaat aan.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk vervolgens op .
Voer het IP-adres in via het numeriek toetsenblok en druk op .
|
|
|
Voer een byte in tussen 0 en 255 met behulp van de cijfertoetsen en druk op de pijl-links/rechts om tussen de bytes te schakelen. Herhaal dit tot u het adres volledig hebt ingevuld (van byte 1 tot en met byte 4). |
Voer andere parameters in, zoals het en de , en druk op .
Na het invoeren van alle parameters drukt u op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Ga nu naar Het stuurprogramma voor het verbinden met een bedraad netwerk installeren.
Met dit programma kunt u het IP-adres van uw apparaat handmatig instellen met behulp van het MAC-adres om te communiceren met het apparaat. Het MAC-adres is een hardwareserienummer van de netwerkinterface dat u in het netwerkconfiguratierapport terugvindt.
Om het programma SetIP te gebruiken, schakelt u de firewall op de computer uit voor u doorgaat met het volgende:
Open het .
Dubbelklik op .
Klik op .
Schakel de firewall uit.
Plaats de cd-rom met printersoftware die met uw apparaat werd meegeleverd in het cd-romstation. Als de cd met stuurprogramma’s automatisch wordt uitgevoerd, sluit u het venster.
Start Windows Explorer en open station X ("X" staat voor de letter die aan uw cd-station is toegewezen).
Dubbelklik op > SetIP.
Dubbelklik op om het programma te installeren.
Kies een taal en klik op .
Volg de aanwijzingen op het scherm om de installatie te voltooien.
Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.
Zet het apparaat aan.
Kies in het menu van Windows achtereenvolgens > > SetIP > SetIP.
Klik op het pictogram
(derde van links) in het venster SetIP om het configuratievenster met TCP/IP-instellingen te openen.
Voer de nieuwe apparaatgegevens op de volgende manier in het configuratievenster in. In een bedrijfsintranet moeten deze gegevens u mogelijk worden toegewezen door een netwerkbeheerder voor u verder kunt gaan.
: zoek het MAC-adres in het netwerkconfiguratierapport en voer het hier in (zonder dubbele punten). Voorbeeld: 00:15:99:29:51:A8 wordt dus 0015992951A8.
: voer hier een nieuw IP-adres voor uw printer in.
Als het IP-adres van uw computer bijvoorbeeld 192.168.1.150 is, voert u 192.168.1.X in, waarbij X een nummer tussen 1 en 254 is (uitgezonderd het nummer 150 dat voor de computer wordt gebruikt).
: voer hier een subnetmasker in.
: voer hier een standaardgateway in.
Klik op en vervolgens op . Het apparaat zal het netwerkconfiguratierapport automatisch afdrukken. Controleer of alle instellingen juist zijn.
Klik op om het programma SetIP af te sluiten.
Indien nodig schakelt u opnieuw de firewall van de computer in.
Om het programma SetIP te gebruiken, schakelt u de firewall op de computer uit voor u doorgaat met het volgende:
|
|
|
Het pad en de gebruikersinterface kunnen verschillen afhankelijk van de Mac OS-versie. Raadpleeg de handleiding van Mac OS om de firewall uit te schakelen. |
Open .
Klik op .
Klik op het menu .
Schakel de firewall uit.
|
|
|
Mogelijk wijken de volgende instructies af van die voor uw printermodel. |
Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.
Plaats de installatie-cd en open het schijfvenster. Selecteer vervolgens > > > .
Dubbelklik op het bestand. wordt automatisch geopend. Selecteer vervolgens . De browser zal de pagina met de naam en het IP-adres van de printer openen.
Klik op het pictogram
(derde van links) in het venster SetIP om het configuratievenster met TCP/IP-instellingen te openen.
Voer de nieuwe apparaatgegevens op de volgende manier in het configuratievenster in. In een bedrijfsintranet moeten deze gegevens u mogelijk worden toegewezen door een netwerkbeheerder voor u verder kunt gaan.
: zoek het MAC-adres in het netwerkconfiguratierapport en voer het hier in (zonder dubbele punten). Voorbeeld: 00:15:99:29:51:A8 wordt dus 0015992951A8.
: voer hier een nieuw IP-adres voor uw printer in.
Als het IP-adres van uw computer bijvoorbeeld 192.168.1.150 is, voert u 192.168.1.X in, waarbij X een nummer tussen 1 en 254 is (uitgezonderd het nummer 150 dat voor de computer wordt gebruikt).
: voer hier een subnetmasker in.
: voer hier een standaardgateway in.
Selecteer , en opnieuw . De printer zal het configuratierapport automatisch afdrukken. Controleer of alle instellingen juist zijn. Sluit Safari af. U mag de cd-rom met installatiebestanden uit het cd-romstation halen. Indien nodig schakelt u opnieuw de firewall van de computer in. Het IP-adres, het subnetmasker en de gateway zijn nu gewijzigd.
Het programma SetIP zou tijdens de installatie van het printerstuurprogramma automatisch geïnstalleerd moeten worden.
|
|
|
Het pad en de gebruikersinterface kunnen verschillen afhankelijk van de Linux OS-versie. Raadpleeg de handleiding van Linux OS om de firewall uit te schakelen. |
Druk het configuratierapport van het apparaat af om het MAC-adres van uw apparaat te vinden.
Open //////.
Dubbelklik op het bestand .
Klik hier om het venster met TCP/IP-instellingen te openen.
Voer het MAC-adres, IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway van de netwerkkaart in, en klik vervolgens op .
|
|
|
Laat bij het invoeren van het MAC-adres de dubbele punt (:) weg. |
Het apparaat drukt de netwerkgegevens af. Controleer of alle instellingen juist zijn.
Sluit het programma SetIP af.
U kunt eveneens verschillende netwerkinstellingen opgeven met behulp van netwerkbeheerprogramma’s zoals SyncThru™ Web Admin Service en SyncThru™ Web Service.
Mogelijk moet u de standaardfabrieksinstellingen terugzetten als het apparaat dat u gebruikt met een nieuwe netwerkomgeving wordt verbonden.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Schakel het apparaat uit en weer in om de instellingen toe te passen.
Start een webbrowser zoals Internet Explorer, Safari of Firefox, en voer in het browservenster het nieuwe IP-adres van uw apparaat in.
Bijvoorbeeld,
Als het venster van de wordt geopend, klikt u op .
Klik op . Klik vervolgens op voor netwerk.
Schakel het apparaat uit en weer in om de instellingen toe te passen.
U kunt het apparaatstuurprogramma instellen. Volg daarbij de onderstaande stappen.
Deze installatie is aanbevolen voor de meeste gebruikers. Alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor apparaatbewerkingen worden geïnstalleerd.
Zorg ervoor dat het apparaat met het netwerk of via een USB-aansluiting is verbonden en aan staat.
Plaats de meegeleverde software-cd in het cd-romstation.
De software-cd start automatisch en er verschijnt een installatievenster.
Als het installatievenster niet verschijnt, klikt u op en vervolgens op Typ X:\, waarbij u "X" vervangt door de letter van het station waarin u de cd hebt geplaatst. Klik op .
Als u Windows Vista, Windows 7 of Windows 2008 Server R2 gebruikt, klikt u op > > >
Typ X:\, waarbij u "X" vervangt door de letter van het cd-romstation, en klik op .
Als het venster verschijnt in Windows Vista, klikt u op in het veld en vervolgens op in het venster .
Als in Windows 7 of Windows 2008 Server R2 het venster verschijnt, klikt u op in het veld en vervolgens op in het venster .
Klik op .
Selecteer uw taal uit de vervolgkeuzelijst.
|
|
|
Lees de en schakel het selectievakje in. Klik vervolgens op .
Het programma zoekt het apparaat.
|
|
|
Als het apparaat niet in het netwerk of lokaal wordt gevonden, verschijnt een foutbericht.
|
Het gevonden apparaat wordt op het scherm weergegeven. Selecteer het apparaat dat u wilt gebruiken.
|
|
|
Als het stuurprogramma slechts één printer gevonden heeft, verschijnt het bevestigingsvenster. |
Het programma start de installatie.
Zodra de installatie is voltooid, verschijnt er een venster met de vraag of u een testpagina wilt afdrukken. Als u een testpagina wilt afdrukken, klikt u op .
In het andere geval klikt u gewoon op en gaat u naar stap 8.
Als de testpagina juist wordt afgedrukt, klikt u op .
Zo niet, klikt u op om ze opnieuw af te drukken.
Als u zich wilt registreren als gebruiker van het apparaat om informatie te ontvangen van Samsung, klikt u op .
Klik op .
|
|
|
Zorg ervoor dat het apparaat met uw netwerk is verbonden en aan staat. Het IP-adres van uw apparaat moet ook reeds zijn ingesteld.
Plaats de meegeleverde software-cd in het cd-romstation.
Dubbelklik op het cd-rompictogram op het bureaublad van uw Macintosh-computer.
Dubbelklik op de map .
Dubbelklik op het pictogram .
Voer het wachtwoord in en klik op .
Het venster van het installatieprogramma van Samsung wordt geopend. Klik op .
Lees de gebruiksrechtovereenkomst en klik op .
Klik op als u de gebruiksrechtovereenkomst aanvaardt.
Selecteer en klik op . wordt aanbevolen voor de meeste gebruikers. Alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor apparaatbewerkingen worden geïnstalleerd.
Als u selecteert, kunt u aangeven welke afzonderlijke onderdelen u wilt installeren.
Het bericht met de waarschuwing dat alle toepassingen worden afgesloten wordt op de computer weergegeven. Klik op .
Selecteer het type installatie en klik op .
: Installeert standaardonderdelen voor een apparaat dat rechtstreeks op de computer van de gebruiker is aangesloten.
: Installeert software voor een apparaat op het netwerk. Het programma SetIP wordt automatisch uitgevoerd. Als de netwerkinformatie voor het apparaat al geconfigureerd is, sluit u het programma SetIP af. Ga door met de volgende stap.
: Met kunt u een draadloos netwerk installeren om via een USB-kabel een verbinding te maken met het apparaat (zie Een draadloos netwerk instellen met een USB-kabel).
Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien. Nadat de installatie is voltooid, klikt u op of .
Open de map > > .
Voor Mac OS X 10.5-10.6 opent u de map > en klikt u op .
Klik op in de .
Voor Mac OS X 10.5-10.6 klikt u op het pictogram , waarna een weergavevenster verschijnt.
Voor Mac OS X 10.3 selecteert u het tabblad .
Voor Mac OS X 10.4 klikt u op .
Voor Mac OS X 10.5-10.6 klikt u op .
Selecteer in .
Bij het afdrukken van een document van een groot aantal pagina’s kan de afdrukcapaciteit worden verhoogd door Socket te kiezen voor de optie .
Typ het IP-adres van het apparaat in het vak .
Typ de wachtrijnaam in het vak . Als u de wachtrijnaam voor uw apparaatserver niet kunt bepalen, probeert u eerst de standaardwachtrij.
Als automatisch selecteren voor Mac OS X 10.3 niet goed werkt, selecteert u in en de naam van uw apparaat in .
Als automatisch selecteren voor Mac OS X 10.4 niet goed werkt, selecteert u in en de naam van uw apparaat in .
Voor Mac OS X 10.5-10.6: als Automatisch selecteren niet goed werkt, kiest u en de naam van uw apparaat in .
Het IP-adres van uw printer verschijnt in en wordt ingesteld als standaardprinter.
Klik op .
|
|
|
Als de printer niet correct werkt, maakt u de installatie van het stuurprogramma ongedaan en installeert u het opnieuw. Doe het volgende om de installatie van het stuurprogramma voor Macintosh ongedaan te maken.
|
U moet Linux-softwarepakketten downloaden van de website van Samsung om de printersoftware te installeren.
|
|
|
Om andere software te installeren: |
Zorg ervoor dat het apparaat met uw netwerk is verbonden en aan staat. Het IP-adres van uw apparaat moet ook reeds zijn ingesteld.
Download het Unified Linux Driver-pakket van de website van Samsung.
Klik met de rechtermuisknop op het -pakket en decomprimeer het.
Dubbelklik op > .
Het venster van het installatieprogramma van Samsung wordt geopend. Klik op .
Het venster van de Add printer wizard gaat open. Klik op .
Selecteer Netwerkprinter en klik op de knop .
Het IP-adres en de modelnaam van de printer worden in de lijst weergegeven.
Selecteer uw apparaat en klik op .
Voer de beschrijving van de printer in en klik op .
Wanneer de printer is toegevoegd, klikt u op .
Nadat de installatie is voltooid, klikt u op .
Dubbelklik op .
Klik op
Het venster wordt geopend. Klik op .
Selecteer en klik op de knop .
Het IP-adres en de modelnaam van de printer worden in de lijst weergegeven.
Selecteer uw apparaat en klik op .
Voer de printerbeschrijving in en klik op .
Wanneer de printer is toegevoegd, klikt u op .
|
|
|
TCP/IPv6 wordt alleen juist ondersteund in Windows Vista of hogere versies. |
|
|
|
Als het IPv6-netwerk niet lijkt te werken, stelt u alle netwerkinstellingen in op de standaardwaarden en probeert u het opnieuw (zie Standaardinstellingen terugzetten). |
Om de IPv6-netwerkomgeving te gebruiken, volgt u de onderstaande procedure om het IPv6-adres te gebruiken:
Verbind het apparaat met het netwerk door middel van een netwerkkabel.
Zet het apparaat aan.
Druk een netwerkconfiguratierapport af vanaf het bedieningspaneel van het apparaat. In dit rapport worden de IPv6-adressen gecontroleerd.
|
|
|
Klik op > > > > .
Kies in het venster .
Volg de aanwijzingen op het scherm.
|
|
|
Als het apparaat niet werkt in de netwerkomgeving, activeert u IPv6. Raadpleeg het volgende deel voor meer informatie. |
Bij levering van het apparaat is de IPv6-functie ingeschakeld.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Zet het apparaat uit en weer aan.
Installeer het printerstuurprogramma opnieuw.
Het apparaat ondersteunt de volgende IPv6-adressen voor het afdrukken vanaf het netwerk en voor netwerkbeheer.
: zelfgeconfigureerde lokale IPv6-adressen (adres begint met FE80).
: door een netwerkrouter automatisch geconfigureerd IPv6-adres.
: door een DHCPv6-server geconfigureerd IPv6-adres.
: door de gebruiker handmatig geconfigureerd IPv6-adres.
Als uw netwerk gebruikmaakt van een DHCPv6-server kunt u een van de volgende opties instellen voor standaard dynamische host-configuratie:
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste waarde te zoeken.
: gebruik DHCPv6 alleen als een router erom vraagt.
: gebruik altijd DHCPv6 ongeacht of de router erom vraagt.
: gebruik DHCPv6 nooit ongeacht of de router erom vraagt.
Druk op .
Start een webbrowser zoals Internet Explorer die IPv6-adressering als een URL ondersteunt (zie Een verbinding maken met ).
|
|
|
Voor IPv4 voert u het IPv4-adres (http://xxx.xxx.xxx.xxx) in het adresveld in en drukt u op de Enter-toets of klikt u op . |
Als het venster van de wordt geopend, klikt u op .
Klik op .
Schakel in de sectie in.
Selecteer het en klik op de knop . Het routerprefix zal automatisch ingevoerd worden in het adresveld.
Voer de rest van het adres in (bijv. 3FFE:10:88:194::AAAA. "A" is de hexadecimaal 0 tot 9, A tot F).
Klik op de knop .
Start een webbrowser zoals Internet Explorer die IPv6-adressering als URL ondersteunt.
Selecteer een van de IPv6-adressen (, , , ) uit het netwerkconfiguratierapport.
Voer de IPv6-adressen in (bijv. http://[FE80::215:99FF:FE66:7701]).
|
|
|
De adressen moeten tussen "[]" (vierkante haken) worden geplaatst. |